Inleiding Brücke

Op 7 juni 1905 richtten vier architectuurstudenten in Dresden, Ernst Ludwig Kirchner, Erich Heckel, Fritz Bleyl en Karl Schmidt-Rottluff de kunstenaarsvereniging Brücke op. Ze werkten in ateliers van Kirchner en Heckel in de Berliner Strasse in Dresden. Volgens Heckel bedacht Schmidt-Rottluf de naam, om aan te geven dat er een streven was om een brug te slaan tussen verschillende revolutionaire stijlen in de beeldende kunst; de Duitse traditie en de moderne tijd. De kunstenaars wilden een jonge, nieuwe kunst, met nadruk op hun eigen emoties en ervaringen van wat zij weergaven, niet van de objectieve werkelijkheid.

Zij zochten contacten met gelijkgestemde kunstenaars en nodigden hen uit lid te worden. In 1906 werden Emil Nolde (voor één jaar), Max Pechstein en de Zwitser Cuno Amiet lid; Henri Matisse en Edvard Munch werden wel uitgenodigd, maar weigerden. In 1907 volgde de Fin Axeli Gallen-Kallela en in 1909-1910 was Kees van Dongen lid (op uitnodiging van Pechstein).  Daarnaast waren er ook vele passieve leden. Bleyl verliet in 1907 Brücke om zich volledig te kunnen wijden aan zijn gezin en zijn leraarschap.

Kirchner maakte een houtsnede in 1906 met het programma: “Mit dem Glauben an Entwicklung, an eine neue Generation der Schaffenden wie die Geniessenden rufen wir alle Jugend zusammen. Und als Jugend, die die Zukunft trägt, wollen wir uns Arm- und Lebensfreihet verschaffen gegenüber den wohlangesessenen, älteren Kräften. Jeder gehört zu uns, der unmittelbar und unverfälscht wiedergibt, was ihn zum Schaffen drängt.“ 

In 1910 maakte hij een houtsnede met de namen van 68 passieve leden.

Tussen 1906 en 1910 verschenen er jaarmappen met grafiek en werden diverse tentoonstellingen gehouden; de eerste vond plaats in november 1905.

De ateliers in Dresden werden door Kirchner ingericht als een totaalkunstwerk. In 1909 en 1910 brachten Kirchner, Heckeln en Pechstein de zomers door in het bos bij het barokke kasteel Moritzburg, waar zij met modellen naakt recreëerden. Favoriete modellen zijn de kinderen Marcella en Fränzi. De bohémienachtige mentaliteit van samenzijn met kunstenaarsvrienden en bevriende modellen, het naakt zijn in een eigen artistieke omgeving zowel in de ateliers als buiten, geeft het werk van Brücke een karakteristieke eigenheid en eenheid.

In 1910 werd Otto Mueller lid, nadat hij werk van Brücke had gezien op een door Pechstein geïnitieerde tentoonstelling van de Neue Secession in Berlijn. In 1911 verhuisden Kirchner en Heckel naar Berlijn, waar zij opnieuw ateliers inrichtten. In 1912 exposeerden zij samen met Der Blaue Reiter. Pechstein werd uit de groep gezet omdat hij deelnam aan een expositie van de oude Secession, waar Brücke zich juist van had afgekeerd.

Op 27 mei 1913 werd Brücke officieel opgeheven, nadat Kirchner een kroniek had geschreven, die door de anderen als te subjectief werd ervaren.

In 1933 werd het werk van alle leden door de Nazis entartet verklaard. In 1967 werd op initiatief van Schmidt-Rottluff het Brücke-Museum in Berlijn opgericht.

De kunstenaars van Brücke lieten zich inspireren door alles wat niet besmet was door de westerse civilisatie: primitieve kunstvoorwerpen in de volkenkundige musea in Dresden en Berlijn en reizen naar Oceanië (Nolde en Pechstein); kinderen en hun spontane gedragingen in tegenstelling tot het klassieke aannemen van poses; naakt recreëren in de vrije natuur; boerendorpen (Schmidt Rottluff, Nolde); in de grote steden de outsiders (exotische dansers, variété, circus), zigeuners (Mueller); geesteszieken (wegens de Eerste Wereldoorlog).

Stilistisch lieten zij zich inspireren door de avant garde schilderkunst in Frankrijk: eerst rond 1904-05 de pointillisten (van wie Kirchner werk zag in 1904), vervolgens Van Gogh (van wie zij werk zagen op een tentoonstelling in Dresden in 1905), Edvard Munch (werk op een tentoonstelling in Dresden in 1906), de fauvisten (1908-1910) en de kubisten (1911-1913) . Een belangrijk medium waren de houtsneden, beïnvloed door Jugendstil en Japanse houtsneden en grafiek.

Het kleurgebruik varieert van vele punten kleur in de pointillistische fase, contrasterende kleuren en vereenvoudigde vormen in de jaren 1906-1910 tot haast monochrome kleuren, in dunne vloeiende vlakken, bij de verbeelding van het leven in de grote stad. Reeds in de werken die buiten bij Moritzburg ontstonden werd geëxperimenteerd met het mengen van verf met sneldrogende benzine. Mueller introduceerde het mengen van verf met lijm.

Links

http://www.bruecke-museum.de/

http://www.moma.org/interactives/exhibitions/2002/brucke/

 

verder